cervicale fusie of prothese

cervicale fusie of prothese

Inleiding

De halswervelzuil bestaat uit een keten van wervels, telkens met vooraan een wervellichaam, daarachter het ruggenmergkanaal en helemaal achteraan de wervelbogen.  Tussen de wervellichamen bevindt zich de tussenwervelschijf of discus.  Deze bestaat uit een rubberachtige ring met in het midden ervan een geleiachtige substantie.  Het geheel werkt als een veersysteem.  De rubberachtige ring heeft ook een stevige vasthechting aan de wervellichamen boven en onder, zodat de bewegingen tussen deze twee wervellichamen kunnen worden gecontroleerd.  Achteraan wordt de verbinding tussen de wervels uitgemaakt door een klein gewricht dat links en rechts zit en de meer klassieke vorm van een gewricht vertoont met kraakbeen, een gewrichtskapsel, enz…

halswervelzuil in zijaanzicht

De veroudering veroorzaakt bij ieder van ons telkens opnieuw kleine scheurtjes in de rubberachtige ringen. Hierdoor kan op een bepaald ogenblik de “gel” die centraal zit, op een aantal niveaus verdwijnen.  Soms verwekt dit proces matige pijn in de hals doch veelal verloopt het zonder klachten of symptomen.

Onder bepaalde omstandigheden kan echter een grotere scheur in de rubberachtige ring ontstaan waardoor een stuk hiervan min of meer loskomt en zich gaat verplaatsen, meestal naar achter toe.  We spreken dan van een “discushernia”.

Onmiddellijk achter het verplaatste gedeelte ligt echter het ruggenmerg en aan beide zijden ervan een zenuwwortel, zodat een druk kan ontstaan op het ruggenmerg of de zenuwwortels.  Dit kan niet alleen pijnklachten, maar ook uitvalsverschijnselen veroorzaken: gevoelsstoornissen of verlammingen, krachtsvermindering in de armen en in extreme gevallen ook in de benen, met verlies van controle over ontlasting en urinelozing.

Pijnklachten in de armen kunnen ook ontstaan door kalkafzetting op de kanalen waarlangs de zenuwen het ruggenmergkanaal verlaten.  Slijtage van de  rubberachtige ringen leidt immers tot verminderde schokdemping waardoor de kalkafzetting (de zogenaamde “papegaaienbekken”) wordt gestimuleerd. Dit is een normaal verouderingsproces dat op eenzelfde manier als een discushernia tot compressie en beschadiging van zenuwweefsel kan leiden.

Behandelingsmogelijkheden

Het hierboven beschreven probleem kan op verschillende manieren behandeld worden.  De bedoeling van de behandeling is steeds om op een aanvaardbare termijn de druk van het zenuwweefsel (ruggenmerg of zenuwwortels) weg te halen, vooraleer dit definitieve beschadiging oploopt.  

Het blijft namelijk nog steeds een vaststaand gegeven dat de moderne geneeskunde nog geen oplossingen heeft voor een beschadigde zenuw.  Het herstel van een beschadigde zenuw is een natuurlijk proces dat nagenoeg niet kan worden beïnvloed.  De snelheid en de mate waarin dit herstel optreedt hangen af van de ernst van de zenuwbeschadiging en de duur dat ze bestaat.  Het is dus onzeker in welke mate een zenuw na een beschadiging zal herstellen.

De meeste discushernia’s kunnen zonder operatie worden opgelost.  We laten dan de natuur de tijd om een litteken te vormen op de beschadigde rubberachtige ring en om de ontstoken zenuw te laten ontzwellen. Een zogenaamde epidurale infiltratie (uitgevoerd in de pijnkliniek) kan dit proces versnellen. Zodoende kan de druk op de zenuwen geleidelijk verdwijnen.

Bij kalkafzetting zal enkel de zenuw zèlf kunnen ontzwellen.  De manier om dit te bereiken is het opleggen van rust en eventueel het dragen van een zachte halskraag, zodat de druk op de zieke tussenwervelschijf afneemt. Ook Een zogenaamde epidurale infiltratie (uitgevoerd in de pijnkliniek) kan dit proces versnellen.

In sommige gevallen zal de behandelende geneesheer moeten overgaan tot een operatie.  Het principe van de operatie bestaat uit het vrijmaken van de zenuwstructuren (=het wegnemen van de druk op de zenuwstructuren), meestal door het verwijderen van de beschadigde discus en/of de kalkafzettingen op het zenuwkanaal.  

Een ingreep kan nodig zijn wanneer de hernia of de kalkafzetting te groot zijn, of wanneer de hernia té ver van zijn originele plaats in het ruggenmergkanaal zit, zodat de natuur er niet in slaagt op een redelijke termijn een genezing te bewerkstelligen.  

Ook progressieve uitvalsverschijnselen (= steeds meer gevoelsstoornissen of krachtvermindering, steeds meer controleverlies over ontlasting of urinelozing) kunnen een reden vormen om te beslissen tot operatie.

Voorbereiding op de operatie

De patiënt wordt voor de operatie onderzocht voor mogelijke tegenaanwijzingen of risico’s.  Allergieën, bepaalde problemen met vroegere verdovingen, algemene ziekten of vroegere operaties kunnen hierbij een rol spelen en moeten dus zeker aan de dokter vermeld worden, vooral ook aan de anesthesist die de leiding van de verdoving op zich zal nemen.  

Een aantal technische onderzoeken zoals een bloedafname, radiografie van de borstkas en een filmpje van het hart (EKG) kunnen vooraf nodig zijn.  

Alle ingenomen medicatie moet worden vermeld op voorhand, omdat sommige van deze medicamenten speciale maatregelen vereisen voor de operatie of de verdoving.

De operatie gebeurt onder algemene verdoving.  De specifieke problemen die hiermee kunnen gepaard gaan worden vóór de ingreep met de anesthesist besproken.

De ingreep

Het principe berust op het verwijderen van datgene wat druk op de zenuwen en/of op het ruggenmerg veroorzaakt. De tussenwervelschijf wordt volledig weggenomen. Om de schijf te vervangen bestaan er 2 mogelijkheden: een fusie van de halswervels of een prothese in de halswervelzuil.

  • Een fusie (spondylodese) is een operatie waarbij 2 of meerdere  wervels aan elkaar worden vastgemaakt met de bedoeling dat deze wervels nadien aan elkaar vastgroeien.  De arts neemt de tussenwervelschijf weg en vervangt deze door bot. De wervels groeien aan elkaar, met als resultaat een volledige verstijving van het bewegingssegment. Het verlies van beweging wordt meestal zeer goed verdragen. Deze ingreep wordt volgens de huidige wetenschappelijke gegevens als dé standaardingreep beschouwd. Vrijwel steeds betreft het een “anterieure” fusie: hierbij zal men de werverzuil lans voor benaderen, dat wil zeggen via een insnede aan de voorzijde van de hals. Een “posterieure” fusie (benadering langs achter) of een gecombineerde “anterieure” en “posterieure” fusie zijn slechts sporadisch aangewezen. Het bot dat tussen de wervels wordt geplaatst, is bij voorkeur bot van de patiënt zelf. Bij kunstbot of bot van een donor is er een grotere kans op onvolledige of vertraagde fusie. Dit bot wordt meestal uit de bekkenkam genomen en vergt een aparte insnede van ongeveer 2 cm.   De arts plaatst ook een kooi tussen de wervels. Deze kooi (een hol blokje in koolstof) zorgt voor extra stabiliteit. Het kooitje wordt gevuld met het bot, zodat de wervels dóór het blokje aan elkaar vastgroeien. Om de stabiliteit te verhogen kan aan de voorzijde van de wervels ook een metalen plaatje (in titanium) geplaatst worden (fig). De kooi en de plaat kunnen afzonderlijk of samen gebruikt worden, afhankelijk van de pathologie, de kwaliteit van het bot, en het aantal te opereren segmenten.
zijaanzicht van fusie met een plaatje
  • Het doel van de andere techniek, het plaatsen van een een prothese,is de beweging tussen 2 wervels te behouden of te herstellen. Dit heeft als voordeel dat de aanpalende segmenten hun oorspronkelijke bewegingspatroon kunnen behouden en zo beschermd worden tegen overbelasting. Dit is echter een theoretisch voordeel dat in de praktijk niet afdoend bewezen is. Het is evenmin duidelijk of protheses op lange termijn (meer dan 5 jaar) hun beweeglijkheid behouden en bij een aantal protheses treedt er postoperatief tòch een spontane fusie op. De meeste protheses bestaan uit 2 metalen componenten; andere protheses bestaat uit 2 metalen plaatjes waartussen een soort vlies (membraan uit polyurethaan) zit dat opgevuld wordt met water.   De oppervlakken van de metalen plaatjes zijn zodanig bewerkt dat ze in de onder- en bovenliggende wervel  vastgroeien. De beweging gebeurt doordat de 2 metalen componenten over mekaar verschuiven òf door verplaatsing van het water in het vlies (fig).
zijaanzicht van een prothese

Aan het einde van de operatie wordt een buisje in de wonde gelegd om gedurende de eerste 24 uur eventueel resterend bloed af te zuigen. De wonde wordt gesloten, een zachte halskraag wordt aangelegd, en de patiënt wordt op zijn rug in bed gelegd.

De eerste dagen na de operatie

Na observatie in de ontwaakzaal (ongeveer één uur) mag de patiënt terug naar de kamer. Na de operatie is de pijn in de arm soms meteen weg, maar lang niet altijd. In de hals is er altijd wat pijn tengevolge van de operatie, vooral de eerste 24u.  Hiervoor krijgt u pijnstillers via een infuus (een baxter).

De pijn ter hoogte van het bekken, door het wegnemen van wat bot, wordt meestal als intenser ervaren dan de halspijn. Lichte slikkachten en eventuele heesheid zijn normaal gedurende de eerste week. Dit is het gevolg van zwelling van de slokdarm en de luchtpijp.  De buisjes in de operatiewonde zullen na één dag worden verwijderd. Die dag mag de patiënt onder begeleiding ook reeds uit bed komen.  

Wanneer u na de operatie in staat bent een volledige gang in het ziekenhuis op en af te stappen en een trap te bestijgen/af te dalen, mag u naar huis. Een normaal verblijf duurt 2 dagen.

Herstel

De snelheid van het herstel zal natuurlijk afhangen van de ernst en de duur van de aandoening.  Langdurig bestaande pijnen of langdurig bestaande uitvalsverschijnselen genezen meestal veel trager en het herstel van zenuwen kan vele maanden tot zelfs 1 à 2 jaar duren.  De uitstralingsklachten in de armen (pijn, krachtsvermindering of gevoelsverandering) herstellen al naargelang de ernst van het zenuwletsel sneller of trager en al dan niet volledig.  De eerste 6 weken na de ingreep zal u voldoende moeten rusten en de zachte halskraag dragen tijdens lichte activiteiten. Dit is vnl ter bescherming van eventuele bruuske of ongecontroleerde bewegingen. Het plaatje levert nl voldoende stabiliteit om gecontroleerde bewegingen te weerstaan.  Na 6 weken kan u geleidelijk aan het activiteitsniveau normaliseren. Meestal wordt na 2 maanden een normale activiteitsgraad bereikt.  Het is daarbij normaal dat u de eerste weken tot 2 maanden af en toe een pijnstiller neemt.

Opvolging

Na de ingreep zal u door uw huisarts èn specialist gevolgd worden. Een controle raadpleging bij uw specialist wordt voorzien na 6 weken, 3 maanden, en 6 maanden. Telkens zal een nieuwe radiografie genomen worden. In geval van krachtsverlies krijgt u ook kinesitherapie om de recuperatie te versnellen.

Mogelijke verwikkelingen

Elke operatie houdt een aantal mogelijke risico’s en verwikkelingen in. Door het gebruik van de modernste technieken en materialen probeert de chirurg deze risico’s tot een minimum te herleiden.

  • Infectie:

Zoals na elke operatie kan ook hier een microbe in de wonde terechtkomen en een infectie veroorzaken. De kans hierop is evenwel zéér klein. Indien de infectie zich in de diepte (ter hoogte van de wervels) bevindt zal bijna zeker het aaneengroeien van de wervels grondig worden verstoord. Er is dan meestal een tweede ingreep en een langdurig verblijf (enkele weken tot meerdere maanden) in het ziekenhuis nodig. Een meer oppervlakkige infectie kan wondproblemen met zich meebrengen, doch dit kan op enkele dagen tot weken opgelost worden.  Om een infectie zo veel mogelijk te voorkomen krijgt  nagenoeg iedere patiënt de eerste dag van de ingreep antibiotica via een infuus (een baxter).

  • Niet-aaneengroeien: “pseudarthrose” (bij een fusie) :

Wanneer de behandelde wervels na een zekere tijd niet aan elkaar blijken te groeien, bestaat er een grote kans dat de patiënt opnieuw meer pijn ontwikkelt.  In sommige gevallen kan dan een nieuwe operatie nodig zijn om te proberen de wervels alsnog te laten vastgroeien. Wanneer bot uit de eigen bekkenkam gebruikt wordt, is de kans hierop eveneens eer klein.

  • Loskomen van de componenten (bij een prothese):

De theoretische mogelijkheid bestaat dat de prothese niet vastgroeit in de aanpalende wervels en bijgevolg loskomt. In praktijk is dit zeer zeldzaam. In dat geval moet de prothese verwijderd worden en zal een fusie uitgevoerd worden.

  • Tijdelijke zenuwuitval:

Tijdens de operatie dient de chirurg het ruggenmerg en de zenuwen te manipuleren. Dit kan leiden tot een tijdelijke zenuwuitval met als gevolg een verminderde kracht of gevoel in een arm. Deze zenuwuitval kan enkele dagen tot meerdere maanden duren.

  • Nabloeding:

Soms treedt er een nabloeding op.  In dit geval kan het bloed zich in de wonde opstapelen en een druk op de luchtpijp of het ruggenmerg gaan veroorzaken.  Het is dan noodzakelijk de wonde terug open te maken.  Meestal treedt deze verwikkeling op de eerste drie à vier dagen.

  • Algemene verwikkelingen:

Door een langere periode van stilliggen kan zich een klonter vormen in een ader van het been waardoor de ader kan ontsteken en verstoppen.  Men spreekt dan van flebitis (aderontsteking).  Om dit te voorkomen zal de verpleging u stimuleren zo snel mogelijk na de ingreep uit uw bed te komen. In geval van flebitis kan uw verblijf in het ziekenhuis enkele dagen verlengd worden, doch het verloop van uw herstel zal onveranderd blijven

Contact

Campus Dendermonde

Kroonveldlaan 50, 9200

Dendermonde

+32 (0)52 25.26.07

————————————–

Privépraktijk Orthomondo

Noordlaan 111a,

9200 Dendermonde

+32 (0)52 21.75.21

————————————–

Campus Zele

Koevliet 6, 9240 Zele

+32 (0)52 45.64.95

Contact

Campus Dendermonde

Kroonveldlaan 50, 9200

Dendermonde

052/25.26.07

————————————–

Privépraktijk Orthomondo

Noordlaan 111a,

9200 Dendermonde

052/21.75.21

————————————–

Campus Zele

Koevliet 6, 9240 Zele

052/45.64.95